Ronald Lamping (foto: Het Krantje)
Ronald Lamping (foto: Het Krantje)

COLUMN: GRAAG OF NIET

Actueel 8 keer gelezen

Er is weer deining in donor land. Het aantal beschikbare organen is zo dramatisch laag, dat je niet eens meer een nierbroodje kan kopen. Dan maar een broodje half om. Gaat ook al niet. Geen lever in de schappen. Flauwekul, natuurlijk. De toestand is namelijk serieuzer dan we denken. Te weinig organen voor transplantatie. Het land wel te klein, als de weigeraars zélf een orgaan nodig hebben.

Door Ronald Lamping

Ik heb een grote bek. Ben al donor van het eerste uur. Loop stoer met een codicil op zak. Als een agent mijn papieren vraagt, sla ik slijmend mijn portefeuille open. Hij ziet dan meteen mijn codicil. Expres, in de hoop, dat oom agent denkt: “Sociale gozer, die ga ik niet bekeuren!” Hopelijk beseft hij, dat hij misschien ooit mijn organen nodig heeft. Misschien denkt hij zelfs: “Prettige reis verder en race maar lekker 230 over de Noordsingel! Ik kan wel een niertje gebruiken.”

Van mij mogen ze alles hebben. Ik neem niets mee naar de volgende locatie. Voor je het weet zit je vast aan een dijk van invoerrechten. Sta je aan de hemelpoort en hoor je plots: “Heeft u iets aan te geven?” Dat risico wil ik toch maar even vermijden. En hoeveel kilo mag je meenemen als je de pijp uit gaat? En hoeveel handbagage? Weet u het? Ik niet.

We hebben er thuis nauwelijks over gesproken. Mijn vrouw en ik zijn beiden loyale donoren. Ze pakken maar, wat ze hebben willen. Het doet me niets. Soms even een momentje van twijfel. Stel, dat ik die poort door mag. Kan ik dan wel zien, zonder hoornvlies? Als daar Patricia Paay staat is dat geen punt. Er zijn echter ook pure dames, die niet voor 99% uit chemisch boetseer werk bestaan. Kan ik nog lekker doorzakken zonder lever? Zijn daar bomen, waar ik zonder nieren tegenaan kan plassen? Deze vragen zullen de Verenigde Naties niet halen. Maar dan, toch.

Er waart altijd nog een rest vraag door mijn hoofd. Wil ik wel aan iedereen iets doneren en wil ik wel van iedereen iets ontvangen? Dat houdt me dan weer bezig. Stel ik prijs op het hart van Holleeder? Kan ik uit de voeten met het bloed van Lance Armstrong, waardoor ik binnen het half uur van Kopenhagen naar Maastricht kan fietsen. Met losse handen en inclusief een kwartier rust. Zit ik daar op te wachten? Twijfel!

Iets geven of iets nemen is nog niet zo simpel. Kom je bij in het ziekenhuis en begin je ineens te snateren als Ali B. Wil je dan wel bijkomen? Wil ik een orgaan van Moskowicz of Smeets? De kak en het dedain van deze megalomane schepsels zijn goed voor een mestoverschot, waar je heel Afrika mee kan bevruchten. Dood gaan of accepteren. Max, Mart of een Ikea zelfbouwkist?

Ik hoop nooit geconfronteerd te worden met zo'n dilemma. Je wilt erbij blijven. Maar moet dit ten koste van alles? Wil ik verder met de kortzichtigheid van Tofik Dibi? Kan ik leven met een orgaan van Barbie? Een hersenloos wangedrocht, dat ons als calamiteit ook nog nageslacht in de schoot heeft geworpen. Barbie is net Auto drop. Ze zou verboden moeten worden.

Wist je maar wat er gebeurde na het ontslapen. Dat zou het een stuk makkelijker maken. Geef je een deel van je ogen weg of moet je juist een leesbril meenemen? Ik wil er niet mee spotten. Je weet het gewoon niet. Ik schenk dus alle bruikbare delen aan de onbekende derden. Loop ik dan het risico, dat mijn organen Willibrord Frequin in leven houden? Dan slaap je slecht.

Ik had een plannetje, maar dat is door de codicilcommissie afgewezen. Jammer, ik dacht het goed voor elkaar te hebben. Zo schreef ik hen het volgende: “Pak, wat je pakken kunt!” En vervolgens liet ik weten: “Ik wil niets hebben van types, als Bassie, Adriaan of Pierre Kartner. Daarbij ook geen behoefte aan organen van Louis van Gaal. Ik zie me al bij de hemelpoort staan. Wordt er vriendelijk gevraagd: “U bent helemaal dood?” En dat ik dan onbeschoft snauw:

“Ben jij nou zo dom of ben ik nou zo slim?”

Uit de krant