Afbeelding

DE RESERVE

wo 18 jun 2014, 09:00 Columns 0 keer gelezen

Niets zo triest als de reserve. Een vak apart. Trainen tot je een ons weegt. Het zweet gutst als Bar-le-Duc omlaag. Aangetrokken door de zwaartekracht. Je lijdt en ziet af. Het batig saldo is de premie en het aanzien van net niet. Een B-merk.

Ronald Lamping

De reserve, het synoniem voor sneu. Vijfde wiel aan de wagen. Twee pubers gaan op pad. De eerste scoort een poppie met potentie, de tweede staat er naast het luchtledige op te vullen. Dichtbij het doel, maar tenslotte toeschouwer van andermans gewin.

De reserve zit op een luxe leren zetel. In wezen is het de Middeleeuwse pijnbank. Vier jaren van afzien gingen er aan vooraf. Koppen rolden en jouw afgetrainde kanis zat er nog op. Je mocht mee. Hoop doet leven. Het is een schijnwerkelijkheid, een sprookje.

Je bent eenzaam. Alsof je met een brandmerk op het voorhoofd loopt. Sportieve kastijding. Een geseling van 90 minuten. Je loert van spel naar trainer en weer terug. Je frunnikt aan je veters, lurkt aan een bidon en hoe gek het ook klinkt, bedenk je ineens, dat je het tuinhek nog in de beits had willen zetten.

De pers heeft geen aandacht voor je. Je hangt er bij, als de ambachtelijke rookworst bij de slager. De vedetten banen zich moeizaam een weg van bus tot kleedkamer. Camera`s klikken. Niet bij jou. Jij passeert de hitsige meute met evenveel gemak als een Porsche, een DAF uit `54. Onder jouw Panini voetbalplaatje, staat je naam. Met drukfout.

De reserves trainen apart. Wel op hetzelfde veld. Er gaapt echter een immense kloof tussen hen en de titanen, waar het om draait. Er wel zijn, maar er niet bij horen. Onderdeel zijn van, maar voelen, dat je de status hebt van een blinde darm. Het wormvormig aanhangsel, dat zich in de loop van de evolutie heeft ontwikkeld tot volledig overbodig.

De trainer kent de psychologische les van de cursus. Hij speelt de Griekse filosoof, die probeert te doorgronden, wat er zich in het menselijk brein afspeelt. Bij tijd en wijle lekt hij dan naar de pers als een kraan, waar een leertje van moet worden vervangen.

Natuurlijk zijn de reserves belangrijk. Orakelt hij dan als Plato op de Olympus. Zij zijn een onderdeel van de groep. Kunnen opgeroepen worden en horen scherp te zijn. De reserve zelf denkt aan thuis, de hond en de verjaardag van oma, die hij nog een kaartje moet sturen (zijn moeder: "Niet vergeten, hoor!").

Hij voelt zich niet lekker. De reserve weet, dat hij door dertig camera’s kan worden begluurd. Hij moet lachen, met zijn buurman praten en vooral opspringen als er gescoord wordt. Dan speelt hij vreugde als De Niro in zijn beste dagen. Hij straalt en schreeuwt het uit. Hij aait de doelpuntenmaker over de bol en geeft hem een kus. De Judaskus!

Hij wil graag zelf spelen en zich scorend in de analen vastleggen. Hij hoopt op een niet al te zware blessure, zodat zijn moment van glorie daar is. Hij droomde ervan. Zag zichzelf op de schouders van zijn team een ereronde maken. De waarheid is weerbarstiger. Een uur later rolt hij de koffer met vuile, bezwete shirtjes naar de bus. Iemand vraagt hem, wanneer de spelers komen.

Na een wedstrijd loopt de reserve mee in de ereronde. De handen klappend boven het hoofd. Het ultieme moment van droefenis. Niets bijgedragen en toch als een zegevierende gladiator het Colosseum rond. Ongemakkelijk. Kijk in hun ogen. Daar gaan smart en pijn het gevecht aan met gewaande blijdschap. En tussen al dat hosanna, denkt hij plots aan Hoes. Johnny Hoes. Omgeven door 60000 krijsende supporters, slikt hij en prevelt:

"Oh, was ik maar bij moeder thuis gebleven!"

Uit de krant