
WATER
ColumnMoet bekennen, dat ik het spoorboekje van de overheid over eventuele noodsituaties niet heb gelezen. Lusteloos doorgebladerd, dat wel. Ben 24-karaats realist en ontwikkelde geen enkel talent voor paniek.
Stoere praat van een bluffer? Nee, aard van het beestje. Gen-foutje? Mij best.
Tóch problemen. Met mevrouw Lamping, die ik ken vanaf zomer 1970. Pakweg 56 jaren, waarvan 50,5 jaar getrouwd. Dan ken je elkaar door en door, denk je. Desondanks verrassing. Opdoemend dilemma? Water, ook bekend als gemeentepils!
Mijn vrouw kijkt naar journaal en leest de krant. Breaking news over metropool Amersfoort. Drinkwaterproblemen. Amersfoortse kei op waterleiding gelazerd? Nee, bacterie. Heel Amersfoort van de kook, terwijl ze juist nu móeten koken. Boeit me niet. Mevrouw Lamping wel.
Als rasechte Amsterdamse draait ze er niet omheen. Wij, Hagenaars, zijn anders. Slechts 60 kilometers van elkaar, toch hemelsbreed verschil qua belevingswereld. Mijn vrouw ervaart die Amersfoortse water ellende als dreigend probleem. Ik dus niet. Gevolg? Watersnoodramp! Weer Zeeland? Nee, in huize Lamping!
Zij wil water inslaan en kwam tot de sluitende conclusie waar geen speld tussen te krijgen is. Waar ook geen staatscommissie zich over hoeft te buigen. Zij weet zonneklaar: “Kopen kan nooit kwaad!” Ervaring met haar leert, dat zoiets bij ons onschuldig begint. Lolletje, grapje: “Dan kopen we maar geen waterbed!”
Dat duurt echter nooit lang. Zo’n tweestrijd lijkt dan aanvankelijk te verflauwen. Ken haar. Ze komt er absoluut op terug. Klopt! Afgelopen week meldde het journaal, dat er opnieuw narigheid was met het water in Amersfoort.
Wéér water koken en zelfs tandartsen zagen er geen gat meer in om patiënten adequaat te behandelen zonder water.
Voor mijn vrouw hét startschot om haar waterplan te verwezenlijken. Soort Deltaplan voor huiselijk gebruik. Zonder overleg. Daar is ze niet van en dus luidde het: “Morgen kopen we water!” Nou ben ik extreem gebekt en adrem. Kleine zes decennia samen leert mij, dat dit nu water naar de zee dragen is.
Ik zwijg.
We lopen door de supermarkt. Plots staan er twee pakken met flesjes water in de kar. Mijn eigen ingenieur Lely zet ze pontificaal neer en beveelt: “Scannen!” Ik zeg niets. Dat bevalt haar niet. Dus klinkt het: “Denk je dat dit genoeg is?”
Er schieten honderd antwoorden door mijn hoofd, maar kom niet verder dan het extreem flauwe: “Hiermee houden we het hoofd wel boven water!” Ze vindt het niet grappig. Ook niet als ik zeg: “Dit is geld in het water gooien!”
Thuis zet ze de twintig flesjes onder in de trapkast. Ik treiter flauw: “Daar vindt Poetin ze meteen!” Ze kijkt me aan en sneert: “Als het Kremlin voor de deur staat, krijg jij geen druppel, zeikerd!” Haal mijn schouders op en geef meteen Haags antwoord.
“Niets? Geen verrassing!
Dat voelde ik al aan mijn water!”
















