
NÉÉ, TOCH?
ColumnNaoorlogs kindje bouwjaar 1949. Wederopbouw. Nationale aandacht ging uit naar puinruimen en woningbouw. Ook ontwikkelingen in de zorg, zonder hoogste prioriteit.
Mijn gebit bleek een zorgenkindje. Geen wederopbouw, maar afbraak. Kalkgebrek, meende mijn Indische tandarts. Kleine ventje bezat aan de Laan van Meerdervoort een luid ratelende boor. In de wachtkamer al hoorbaar. Alarmfase één voor jochie als ik. Haatte het geluid van dat klereding.
Pijn? Trekken maar. Die tijd, dus. Kreeg het voor mijn kiezen. Ramp gebit. Ad, onze latere tandarts in Leidschendam deed wat hij kon. Eeuwig dankbaar, maar bereikte helaas pensioenleeftijd. Op naar huidige tandarts. Dát heb ik geweten.
Stelde me keurig voor, legde mijn heikele mondverleden bloot en wachtte af. Na inspectie zat ze op een krukje naast me. Zweeg een onheilspellende twee seconden en zei resoluut: “Heb slecht nieuws voor u!”
Tanden van mijn bovengebit laten los. Ernstige parodontitis, tandvleesontsteking. Vervolgens klapte de val dicht: “U moet onvermijdelijk aan een bovenprothese”. Ze keek me aan en zag me slikken. Waarna ze het onheil komisch luchtig wilde afsluiten: “Maar u hebt geen gaatjes!”
Ontdaan huiswaarts naar mijn vrouw. In 1971 ontmoette zij in Italië haar ‘Adonis’. Nu, nagenoeg 50 jaar getrouwd, zit ze met een tweedehandsje, die binnenkort met een klappergebit naast haar zit. Gebit en huwelijk op weg richting afgrond. Tand des tijds.
Mijn Amsterdamse eega reageert zoals ik haar ruim 54 jaar ken. Met een mengeling van compassie en spot. Weet wat de overhand gaat krijgen. Ze schiet in de lach en zuigt: “Dus staat er straks naast je bed een glas water met je bovenprothese? Romantisch, jôh!”
Om er tenslotte nog wat zout in te strooien. Ze wijst op een schoonmaakspray in de keuken en roept vrolijk: “Prothese in glas! Joepie, straks Glassex!”
Heb ondertussen gehapt. Rond mei naar de kaakchirurg voor intake, daarna trekking en plaatsing prothese. De degeneratie, het onvermijdelijke verval van mijn mannelijkheid.
Heb me uitvoerig ingelezen. Aanvankelijk slis je hevig, eet je met babybrokjes en raakt er soms iets los. Bovenal heb je pijn aan je harses.
Drukt me bruut op dé effecten van ouderdom. Mijn vrouw doet er totaal niet moeilijk over. Zegt luchtig: “Blijf wel bij je hoor! Ook al ga je van de kou klappertanden!”
Amsterdamse humor. Per definitie niet leuk. Kijk haar aan en zie haar in gedachten een koffer pakken, terwijl ze zegt: “Was leuk al die jaren, maar ik kan je nu missen als kiespijn!”
Loyaal is ze, weet ik heus wel. In voor-en tegenspoed, toch? Moet er rond mei/juni aan geloven. Mijn vrouw zal me bijstaan. Al weet ik nu al hoe de eerste dagen gaan verlopen.
Nonchalant zal ze me aankijken en stoïcijns vragen: “Welke smaak wil je eigenlijk?” “Wat bedoel je?”, zal ik onduidelijk slissen.
Je potje Olvarit, schat!
















