Het notulenboek van de gemeente Veur (archieffoto).
Het notulenboek van de gemeente Veur (archieffoto).
historisch leven langs de vliet

Veur zelfstandig verder zonder Stompwijk

Historie 395 keer gelezen

Leidschendam - Op 1 april 1817 werd de gemeente Veur zelfstandig. Er kwam een einde aan de samenwerking met Stompwijk binnen de gemeente Leidschendam zoals die door Napoleon in 1811 in het leven was geroepen. Op de eerste raadsvergaderingen ging het er gemoedelijk aan toe en tegelijkertijd moest er een hoop werk worden verzet.

Door F.J.A.M. van der Helm

In 1817 werd de gemeente Leidschendam opgeheven en gesplitst in de zelfstandige gemeenten Stompwijk en Veur. Dit had te maken met een gedeeltelijk herstel van de heerlijke rechten. Veur werd vanouds bestuurd door de familie Van Wassenaar en hun nazaten, die zetelden op kasteel Duivenvoorde. Stompwijk daarentegen werd als ambachtsheerlijkheid door de stad Leiden bestuurd. Vanaf 1 april gingen beide rivaliserende gemeenten aan weerszijden van de Vliet hun eigen weg.

Belangrijk was om allereerst een degelijk en betrouwbaar bestuur te vormen. Dit was een taak die door het provinciebestuur op zich werd genomen. Voorgedragen werden de volgende vijf inwoners om zitting te nemen in de eerste gemeenteraad van Veur: Pieter Boonekamp, Pieter Jongebreur, Hendrik Lepeer, Jacob Noordzij en Cornelis Zonneveld. Coenraad van Eijk werd benoemd tot schout.

De werkzaamheden van de raadsleden vielen mee; ze kwamen bijeen als het nodig was. Soms iedere week en soms maanden niet. De belangrijkste taak was het in orde maken van de begroting voor 1818. (inkomsten ƒ2071 – uitgaven ƒ1850) Hiertoe moesten de landerijen en huizen worden getaxeerd waarover een percentage belasting moest worden betaald. Hiertoe werd een college van taxateurs benoemd, die de wei- en bouwlanden taxeerden op 40 gulden de morgen. Daarnaast werd vooral aandacht besteed aan de jeugd middels scholing, het leger en het armbestuur.

De Veurse jeugd kreeg een eigen schoollokaal met onderwijzer. Aan het schoolgebouw moest het nodige worden opgelapt. Daartoe waren schilder W. Bleijs, H. Lepeer als timmerman en Colk als metselaar aangesteld. Onderwijzer Schreijer vond het in de winter te koud en vroeg nog in het zelfde jaar aan het gemeentebestuur om een kachel. Deze reageerde door de wedde van de onderwijzer met 10 gulden te verhogen opdat hij zelf voor hout en vuur kon zorgen.

De nationale militie moest op niveau blijven door uit iedere gemeente naar verhouding jongeren te werven. Veur telde 721 inwoners en moest één jongeman leveren. Daarnaast stond ook de brandschouw op de agenda. De organisatie van de brandweer en het gebruik van de brandspuit waren van groot belang in het dorp met veel houten brandgevoelige huizen en gebouwen.

Dat het er ‘dorps’ aan toeging op de vergadering, bleek wel toen bewoner Evertse op een van de eerste zittingen verscheen om zijn beklag te doen over het handelen van mede-Veurenaar Holbeek. De raad voelde zich hiervoor niet de aangewezen plek en verwees hem door naar het vredesgerecht.

Reacties naar helmhuis@ziggo.nl.

Uit de krant