
Onthulling bordje Aart van der Leeuw
HistorieVoorburg - In 2024 viert de Stichting ‘Mooi Voorburg’ haar 13e lustrum. Gedurende haar 65-jarig bestaan heeft de stichting bij diverse monumenten of andere interessante locaties in Voorburg groene informatiebordjes geplaatst. Maandelijks wordt een van deze monumenten belicht in Het Krantje. Deze week aandacht voor het bordje voor Aart van der Leeuw (Delft 1876 – Voorburg 1931) aan het Westeinde 140, dat 21 juni wordt onthuld.
In 1907 vestigt de dichter en schrijver Aart van der Leeuw zich met zijn vrouw aan het Westeinde 142 in het toen nog landelijke Voorburg. Na een huurverhoging trekt het echtpaar in 1929 in bij zijn schoonzus in het naastgelegen pand 140. In Voorburg kan hij zich helemaal aan het schrijven wijden. Zijn bekendste boeken zijn ‘Ik en mijn Speelman’ en ‘De Kleine Rudolf’. Ook zijn vele gedichten worden nog lang na zijn dood gewaardeerd.
Hij voelt een grote liefde voor de natuur en aanvankelijk geniet hij daar in het idyllische Voorburg volop van. Aan de voorkant kijkt hij uit op de buitenplaats Heeswijk en aan de achterkant op Leeuwenberg. De Westvlietweg was omzoomd met prachtige oude bomen en wat verder weg lagen de weilanden. Tijdens lange wandelingen doet hij inspiratie op voor zijn gedichten. Maar dat verandert snel. Buitenplaatsen maken plaats voor woningbouw. Al na tien jaar schrijft hij in brieven over zijn verdriet over het verdwijnen van de natuur die steeds meer plaats maakt voor woningen en autobanen. Hij vindt het ‘een ellende dat Den Haag zo op ons afkomt en we helemaal worden ingebouwd’. ‘Ik zou graag weer poëzie maken maar het verdwijnen van de natuur hindert me toch zo. Alles maakte ik buiten wandelend, en dat is nu onmogelijk geworden. Maar afwachten of er misschien een andere bron wil ontspringen’. Dat kwam er niet van. Een jaar later overlijdt hij en wordt begraven op de Oude Begraafplaats.
Naast natuur is dans een belangrijk thema in het proza en de poëzie van van der Leeuw. Met eindexamenfeesten en zomerfestivals voor de boeg past het af te sluiten met een ode aan de zomer en de dans.
Danslied
Zei niet Uw stem: de vogel danst, / Het lover danst, de weide danst,
De Zon die op het water glanst, / De wind, de wolk,
de wereld danst?
Gij reikte mij uw linkerhand, / Daarin gleed warm mijn
rechterhand,
En velen volgden, tot een band / Van dansers slingerde over ‘t land.
De laatste tranen op mijn wang / Verwoeien in die rondegang,
Mijn polsklop, eerst zo luid en bang, / Vond hart bij hart ten beurtgezang;
En ‘k wist heel blij, voor altijd, gáns, / Onder mijn wilde-bloemenkrans,
Wijl goudgloed opsprong aan de trans / Dat alles goéd wordt
in de dans.
















