
Jeroen van Rossum terug in de raad: ‘Politiek moet menselijk blijven’
Politiek 159 keer gelezenLeidschendam-Voorburg - “Het voelt echt als thuiskomen.” Met die woorden omschrijft Jeroen van Rossum zijn terugkeer in de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg. Een onbekende is hij daar allerminst.
Tussen 2014 en 2015 was hij al raadslid en van 2015 tot 2022 fractievoorzitter van GroenLinks. Nu is hij terug namens PRO Leidschendam-Voorburg, de samenwerking tussen GroenLinks en PvdA. En aan ambitie ontbreekt het hem niet. “Ik wil dat het progressieve geluid de komende vier jaar luid en duidelijk te horen is.”
Knetteren en koffie drinken
Van Rossum staat bekend als een inhoudelijk sterk raadslid met een duidelijke visie op sociale rechtvaardigheid en zorgvuldige besluitvorming. Maar minstens zo belangrijk vindt hij de manier waarop politiek wordt bedreven. “Een stevig debat moet kunnen,” zegt hij. “Je moet met elkaar kunnen knetteren in de raadzaal en daarna gewoon weer normaal met elkaar een kop koffie kunnen drinken. Zodra alles persoonlijk wordt, verstikt dat het debat.”
Zijn eerdere vertrek uit de raad had weinig met politieke vermoeidheid te maken en alles met tijdgebrek. In die periode combineerde hij het fractievoorzitterschap met een nieuwe baan die hem zo’n zestig uur per week kostte. “Dat was simpelweg niet meer vol te houden. We zaten bovendien in een ingewikkelde coalitie, waardoor het politieke werk ook veel tijd vroeg.” Inmiddels werkt hij als zelfstandig interimmanager en is er weer ruimte voor de lokale politiek.
Hoewel hij enkele jaren uit beeld verdween, bleef hij de ontwikkelingen in de gemeente op de voet volgen. De stap terug naar de raad voelde voor hem dan ook logisch. “Ik heb gemerkt dat ik het politieke werk echt heb gemist. Het spel, het debat, maar ook de mogelijkheid om iets te betekenen voor mensen die het moeilijk hebben.”
Juist dat sociale aspect vormt een belangrijke drijfveer. Van Rossum maakt zich zorgen over de druk op het sociale domein en vindt dat de gemeente voorzichtig moet omgaan met bezuinigingen op zorg en ondersteuning. Vooral de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft zijn aandacht. “Huishoudelijke hulp is veel meer dan alleen schoonmaken,” stelt hij. “Die mensen signaleren problemen, maken een praatje en zijn soms de enigen die iemand die dag ziet. Dan kun je niet verwachten dat ze alleen maar van cliënt naar cliënt blijven rennen zonder tijd of aandacht.”
Ontschotting
Ook de verdere ontschotting van het sociaal domein van de gemeente staat hoog op zijn agenda. Het sociaal kompas bepaalt hoe de gemeente omgaat met zorg, welzijn en ondersteuning. Volgens Van Rossum wordt er nu nog te veel gedacht in afzonderlijke systemen. “Mensen hebben zelden één probleem,” zegt hij. “Je ziet vaak dat jeugdzorg, Wmo, schulden of werkloosheid door elkaar lopen. Dan moet je niet vanuit losse loketten werken, maar vanuit de inwoner.”
Daarbij kijkt hij ook kritisch naar de uitvoering van de participatiewet. De druk om mensen koste wat kost terug te leiden naar betaald werk vindt hij soms te groot. “De neiging om mensen te dwingen tot terugkeer naar betaald werk is niet haalbaar. Ik wil ervoor waken dat wij hierin doorslaan.”
Naast zorg en welzijn wil Van Rossum zich sterk maken voor kunst en cultuur. Hij noemt het “schandalig” hoe weinig aandacht dat onderwerp de afgelopen jaren heeft gekregen. Vooral de situatie rond Theater Ludens baart hem zorgen. “Daar staat het water aan de lippen. De cultuursector heeft de afgelopen jaren weinig liefde gekregen van de gemeenteraad.”
Met zijn terugkeer haalt PRO niet alleen ervaring binnen, maar ook een herkenbaar gezicht voor inwoners die de lokale politiek al langer volgen. In een gemeenteraad waar veel nieuwe namen opduiken, brengt Van Rossum kennis van dossiers én bestuurlijke ervaring mee. Zelf kijkt hij vooral vooruit. “Ik ben gemotiveerder dan ooit,” zegt hij. “Juist nu is het belangrijk dat er mensen zijn die blijven opkomen voor sociale rechtvaardigheid, cultuur en een menselijke overheid. En dat we perspectief bieden voor mensen die een beroep moeten doen op het sociale vangnet.”
















